BOEKBABBELS

 

BOEKBABBELS: EEN LEZING                                        Joris Denoo

Mijn relaas na honderden voordrachten voor kinderen en jongeren

'Waarom schrijf je boeken?' vragen kinderen me vaak, als ik ergens ga spreken. 'Uit jaloersheid,' antwoord ik dan. Ze kijken me aan met ogen als schoteltjes. Enkelen giechelen. Of grinniken. 'Ja hoor,' steek ik dan van wal. 'Uit jaloersheid. Luister. Torens boeken heb ik vroeger gelezen. Boeken en nog eens boeken. Het stadje waar ik toen woonde, dat is Torhout in West-Vlaanderen, had drie kleine bibliotheken. Iedere politieke partij had er één. Elke week bezocht ik die. Je kunt je dus wel voorstellen hoeveel ik las. Mijn stapel boterhammen was altijd kleiner dan mijn stapel boeken. Na verloop van tijd werd ik echt jaloers op mensen die zo'n boek hadden geschreven. Ik wou dat ook. Ik wou mijn eigen naam boven de titel zien staan. En op de rug van het boek. Ik begon te dromen dat ik ook schreef. Omdat ik dus echt jaloers was op al die schrijvers, probeerde ik het ook eens. Zo ben ik er zelf een geworden. Maar eigenlijk, om heel eerlijk te zijn: het komt vooral door heel veel te lezen. Ik was echt een hoekje-met-een-boekje-kind'. 'Aha,' knikken de luisteraars. Dat hebben ze beet. Die jaloersheid is dan ook zeer menselijk. Ze begrijpen het volkomen.

'Bent u al een Bekende Vlaming?' 'Mm . . . nee,' aarzel ik. 'Ik kom te weinig op televisie. En ik doe niet mee aan domme spelletjes'. 'Hoe vind je al je verhalen uit?' 'Dat vind ik een prima vraag!' zeg ik. 'Eerst en vooral: ik heb zelf drie kinderen. Een zoon en twee dochters (een meisjestweeling). Die gaven me ideeën. Ze beleefden van alles. Ze vertelden veel. Ze hielden mijn ziel jong. Daar putte ik dus af en toe uit. Ten tweede kijk en luister ik altijd heel oplettend. In het dagelijkse leven gebeuren zoveel interessante dingen. Zelfs als je naar een foto kijkt, gebeurt er nog iets heel belangrijks net buiten het kader van die foto. . . Je moet dus niet echt gaan uitvinden om een boek te schrijven. Er is genoeg om je heen. Wedden? Als je dat niet gelooft, luister dan naar mijn derde punt.

Ik verzamel vreemde berichten uit de krant. Daar heb ik er al enkele mappen vol van. Ze zijn heel vreemd en toch echt gebeurd. Daardoor ondervind je: ja, de werkelijkheid is soms veel kleurrijker en vreemder en spannender dan wat je uitvindt. Je moet echt niet gek zijn om schrijver te worden en met je fantasie te werken. Wat steekt er zo allemaal in mijn collectie vreemde berichten? Een vogel pikt een vals gebit uit de mond van een slapende vrouw en brengt het de volgende dag netjes terug, mensen uit een Hongaars dorp krijgen op één nacht allemaal paarse haren, een kind zit 23 jaar straf uit onder de trap in huis, een Duitser achtervolgt kinderen, bijt in hun neus en vlucht dan weg, een bende knipt het lange haar van meisjes af en spurt ermee weg, de ontdekking van een onderaardse telefooncentrale uit de Eerste Wereldoorlog op het veld van een boer, uitwerpselen van elanden worden in de vorm van gebakken beeldjes als souvenir aan de toeristen verkocht die Finland bezoeken (en beginnen dan enkele weken later te smelten en te stinken), ga zo maar door. Nou, wie is er gek: de schrijver met zijn fantasie of de werkelijkheid met zijn vreemde verschijnselen en mensen? Soms gebeurt het dus dat ik dergelijke berichten gebruik bij het schrijven'.

'Wauw,' doet een meisje. 'Verschijnt er zo eentje?' 'Er is er al eentje,' knik ik. 'Het heet Meisjeslokken, over die bende die haren steelt'. 'Dat wil ik lezen!' 'Ik ook!' 'Ik ook!' Glimlachend kijk ik naar de juffrouw, de meester of de bibliothecaresse en hoop in stilte dat ze het boekje hebben. Wat sta ik hier anders te doen?

Een spervuur van vragen breekt los. Het ijs is gebroken. Ik heb mijn kattebelletjes getoond. Treintickets waar ik op de achterkant invalletjes op krabbelde. Mijn kladpapieren. Potloden, balpennen, vulpennen, een geheimzinnige lege wijnfles vol met lege inktpatronen (‘een lege fles volledig gevuld met lege vullingen’ – taalbeschouwing!), schema's, mislukte rommel, manuscripten, proefdrukken, tekeningen, brieven, foto's. Alles hebben ze gezien, tenzij Aloysius, de laptop. Die is thuisgebleven. Kennen ze toch wel. Ik heb voorgelezen en verteld. Nu komt het.

'Schrijf je al lang?' 'Van in de derde kleuterklas. Echt waar hoor. Ik kon toen de namen van de dagen al schrijven. Daar maakte ik rijmpjes mee. Met een griffel op een lei'. 'Verdien je veel met je boeken?' 'Ha! Slimme vraag. Laat ik even een vraagstukje opgeven. Dan kun je berekenen hoe rijk ik ben. Kan ik een nieuwe Porsche kopen of alleen maar een paar nieuwe schoenen? Van mijn laatste jeugdboek zijn 3000 exemplaren gedrukt. De schrijver krijgt gewoonlijk 10 percent per verkocht boek. Het boek kost 15 euro in de boekhandel. Nu moet je natuurlijk nog weten . . . '. 'Hoeveel zijn er al verkocht?' 'Dat weet ik nog niet; ik wacht met spanning'. 'Teken je zelf je illustraties?' 'O nee. Ik heb twee linkerhanden. Op de schooltekeningen die ik vroeger moest maken, stond gewoonlijk AFSCHUWELIJK. Nee, de uitgever kiest gewoonlijk zelf een tekenaar. Of een tekenvrouw'. 'Heb je al eens een mislukt boek gehad?' 'Dat gebeurt. Dan keert het terug. De uitgever moet het niet. Het is niet goed genoeg. Of er zijn er al te veel van. Of ze hebben iemand anders. Er is altijd wat. Of je moet lang wachten. Het gebeurt ook soms dat een andere uitgever dat boek dan wel wil'. 'Ben je dan kwaad? Wat doe je dan?' 'Dat is natuurlijk een ontgoocheling. Dan wacht ik enkele weken. Ik probeer mijn verdriet te vergeten. En ik doe alles nog eens over. Of ik gooi het zootje in de prullenmand. Of . . . een andere uitgever wil het misschien wel doen'. 'Hoeveel keer is dat al gebeurd?' 'Twee of drie keer'. 'Ben je al verfilmd?' 'Nee. Ik zou graag eens een boek schrijven dat zo spannend is, dat ze niet anders kunnen dan het verfilmen'.

'Hoe ben je op het idee gekomen schrijver te worden?' 'Dat heb ik al gezegd, hé: veel gelezen vroeger, en jaloers geworden op al die schrijvers'. 'Wat heb je vroeger gelezen?' 'O, ik herinner me boeiende boeken over de detective Pim Pandoer, die altijd erwtensoep at, over Arendsoog en Witte Veder. Titels zoals De Bende van de Blauwe Bergen, Hallo, hier Denemarken en De Straat der Zeven Duivels. Mijn allereerste boekje dat ik las, was Van een Konijntje en een Ei. Het ging over een kieken dat te lui was om te broeden. Het konijn deed dat dan maar, 21 dagen lang. Ik las toen al zo graag, dat ik me nu nog altijd de eerste zin herinner van dat boekje: 'Paul en Margreet zijn naar de markt geweest'. Voor mijn achtste verjaardag kreeg ik drie boeken ineens van de sint. Eén over een duikbootexpeditie, één over de avonturen van een Zweedse kruidendokter in middeleeuws Japan en één over een vissersjongen'. 'Waar schrijf je?' 'Ik zit heel graag op mijn schrijfzolder thuis. Daar is het lekker ijsberen. Want schrijven is ook nadenken, piekeren, tobben, heen-en-weer lopen. De wind giert er extra hard als het waait. De regen roffelt er op het dak; het lijkt wel het drumstel van Metallica. Dat heb ik graag zo. Als het stormt, wil ik schrijven. Soms zit ik ook in de stad om te schrijven. Ik hou van de stad. Soms gebeurt het ook in de trein. Ook daar hou ik van'. 'Wanneer schrijf je het liefst?' 'Graag 's avonds. Dan is alles wat stiller. Maar geroezemoes mag best. De drukte van een stad. Maar mijn radio moet uit. Ik speel ook geen cd’s. Met muziek erbij kan ik me niet concentreren. Ik wil zo weinig mogelijk geluiden'. 'Maar daarstraks zei je dat je zo graag had dat de wind om je zolder gierde!' 'Ja, maar dat is de enige uitzondering! Slecht weer is goed weer voor mij. Die geluiden heb ik heel graag. Kijk: toen ik klein was, vroeg ik elk jaar aan de sint een machientje om wind mee te maken. Dat zou ik dan op zolder zetten en er elke dag wind mee maken. Het is er nooit van gekomen. Maar nu schrijf ik veel over de wind. In bijna al mijn boeken regent het. Soms heel hard, haha'. 'Is je zolder hoog?' 'Twee trappen hoog. Er ligt wel een centimeter stof, want ik stofzuig nooit. Mijn vrouw mag er toch nooit komen spieken wat ik uitspook, dus erg is dat niet. Als het stof te hoog ligt, zet ik een raam open en hoop dan dat het hard waait, zodat het stof naar mijn buurvrouw waait. En klaar is kees'. 'Mijn mama kent jou van vroeger'. 'O, dat is leuk. Groet je haar van mij?' 'Vinden je kinderen het goed dat je boeken schrijft?' 'O, ze vonden dat wel leuk. Ze waren beroemd op de speelplaats. Nu zijn wel al een stuk ouder'. 'Lezen ze je boeken? Zeggen ze dan of ze die slecht of goed vinden? Laat je ze vooraf iets zien?' 'Vroeger lazen mijn tweelingdochters alles van mij. Later waren ze vooral met muziek bezig. Marius, mijn zoon, leest nog altijd heel veel. Nee, ik toon nooit iets vooraf. En als het boek er eenmaal is, dan lezen mijn kinderen het wel, hoor. Soms stiekem. Gewoonlijk zeggen ze er weinig over. Het is ook een beetje vreemd, een boek lezen dat je pa geschreven heeft. Zou je nog durven zeggen dat het slecht is zonder een koppel labberdoedassen te krijgen?' 'Labberwàt?' 'Oorvijgen, haha!' 'Komen je eigen kinderen soms in je boeken voor?' 'De laatste tijd laat ik ze er niet meer in. Het is al welletjes geweest. Over mijn tweelingdochters Hanne en Sarah heb ik twee boeken geschreven. Er werd er één van bekroond met een prijs. En mijn zoon Marius doet mee in een boek dat hij eigenlijk zelf verteld heeft. Het gaat over een vogelverschrikker op het land. Die bezochten we elke dag, tot hij van zijn stokje gevallen was. Elke dag vertelde Marius me een verhaal over die vogelverschrikker. Dat vond ik zo interessant dat ik dacht: laat ik alles opschrijven, want kinderen worden vlug groter en vertellen dan minder. Ik moet alles goed onthouden. Marius doet ook mee in een probleemboek over epilepsie. De mensen noemen het ook 'vallende ziekte'. Jammer genoeg heeft mijn zoon daar een groot probleem mee. Dit boek is een soort van dagboek, van toen hij twaalf jaar was.

'Wat schrijf je het liefst: jeugdboeken of boeken voor grote mensen?' 'Mm . . . moeilijk om te kiezen. Hangt van het weer af, hé. Grapje. Nee: het allerliefst eigenlijk dagboeken. Die heb ik al van toen ik zeventien was. Ik begon eraan tijdens een reis naar Engeland, op de boot. Nog elke dag schrijf ik een dagboekbladzijde. Ik schrijf ook wel graag gedichten. O ja: mijn volgende boek wordt ook een dagboek. Maar dat verklap ik nog even niet'. 'Je eigen dagboek?' 'O nee! Het dagboek van een zestienjarige jongen. Maar misschien zit er wel een stukje van mij in . . . '. 'Wie lees je het liefst?' 'Ik lees heel graag en heel nieuwsgierig allerlei Vlaamse en Nederlandse schrijvers. Soms wel eentje uit het buitenland, in vertaling, als het geen Engels is. Ik hou ook van Roald . . . '. 'Ik ook!' 'Ik ook!' 'Ik ook!' (maal 50). 'Vindt je vrouw het niet vervelend dat je altijd maar zit te schrijven?' 'Nee, ik heb een bovenste beste vrouw. Maar ik had haar wel vooraf verwittigd: ik schrijf graag en daarvoor moet ik vaak alleen zijn en het kan heel lang duren en ook mislukken af en toe. Dat wist ze dus allemaal. Toch is ze met mij getrouwd'. 'Komt ze ook in je boeken voor?' 'Niet echt. Misschien wil ze liever niet. Toch duikt ze af en toe op. Een ma heb je vaak nodig, niet?' 'Gebruik je echt al die potloden?' 'Zeker weten! Ik slijp er een twintigtal van, zodat ik door kan werken zonder te stoppen. Ik hou van lange, scherpgepunte potloden. Ik hou ook van het zachte geluid dat ze maken wanneer ze over het papier glijden. En daarna komen de balpennen en de vulpennen in beweging'. 'Weet je altijd al vooraf waarover je zult schrijven?' 'O ja, gewoonlijk wel. Anders begin je er beter niet aan. Eerst moet de kerstboom er staan, hé. Dan pas komen de balletjes, de cadeautjes, het engelenhaar, de versieringen. Ik maak altijd een plan. Tot in de details, want je moet heel veel onthouden onderweg. Als het regent in hoofdstuk 1, kan het in hoofdstuk 12 niet blijven regenen. Of een jongen met een flapoor op bladzijde 4 moet ook op bladzijde 123 nog dat flapoor hebben, begrijp je?' 'Heb je al eens een slechte kritiek gekregen van iemand?' 'Dat gebeurt. Over hetzelfde boek kun je makkelijk goede en slechte dingen te horen en te lezen krijgen. Geen probleem hoor. Wat je zegt, ben je zelf. Het is een van die dingen waar je als schrijver gewend aan raakt. Het is natuurlijk altijd leuker als iedereen je overal en altijd fantastisch vindt. Soms gebeurt dat opzettelijk, in de kranten en op televisie. Je hebt maar beter veel vrienden overal'.

Even ligt het spervuur van vragen stil. De kinderen spieken op hun briefjes. Het mochten ook moeilijke of lastige vragen zijn, had ik vooraf gezegd. Ikzelf probeer ondertussen tevergeefs orde te houden in al de papieren die ik ter illustratie en omwille van de aanschouwelijkheid mee heb gezeuld. Ik ga altijd op pad met twee, drie koffertjes. Toevallig de kleuren van de Belgische vlag, ontdekte ik tot mijn grote verrassing onlangs. Er is een koffer met de gepubliceerde boeken. Er is er een met de manuscripten en proefdrukken en zo. De derde, de zwaarste, is volgestouwd met potloden, balpennen, slijpers, kattebelletjes, kladpapier, kladversies, tekeningen, brieven. Al die dingen liggen nu in een hopeloze puinhoop voor mij op de drie bijeengeschoven tafels in de bieb of in de refter of op de schoolzolder of in de grootste klas van die school. En straks, dat weet ik uit ondervinding, straks wordt het nog erger. Dan volgt de echte belegering. Het signeren van pieterkleine snippers papier. En boeken. En leeskaarten. En bladwijzers. Maar gelukkig ook boeken. Even kom ik op adem. Ik schrik op van een lichtflits. Iemand neemt een foto. De kinderen kijken om. Juf, meester, biebwezen glimlachen. 'Voor ons archief,' zegt hij/zij.

'En ik heb ook nog een vraag voor u, meneer'. Ik knik. De kinderen kijken op; ik word op de rooster gelegd met een moeilijke examenvraag. 'Wat is er nodig om goed te schrijven? Kun je de kinderen goede raad geven hierover? Waarop moeten ze speciaal letten?' (O god, denk ik, straks worden dat hier allemaal concurrenten, die me de markt uitschrijven! Gedaan met Denoo!). 'Ja,' zeg ik, 'dat zijn pas lastige vragen. Veel moeilijker bijvoorbeeld dan 'Waarom schrijf je?' en 'Hoeveel verdien je met een boek?'. ‘Wel,' ga ik dan moedig verder, 'ik denk wel dat ik daarover iets kan zeggen. Kijken en luisteren zijn heel erg belangrijk. Wie zijn ogen en zijn oren goed de kost geeft, kan daar veel van gebruiken in zijn verhalen. Natuurlijk: je moet het ook nog altijd op kunnen schrijven, hé. En dat moet je vooral graag doen. Hoeveel mensen zuchten niet: daar zou ik een boek over kunnen schrijven? Nou, dat ze dat maar eens proberen! Een bladzijde uit de telefoongids overschrijven is al lastig, of strafregels, en die moet je zelf nog niet eens uitvinden. Tja, het is een lastig karwei'. Eigenlijk ben ik niet tevreden over mijn antwoord. 'Denkt u dat het aangeboren is, het talent om te schrijven?' vraagt de meester dan. Ik zie zijn brillenglazen vol verwachting flikkeren. Ai ai, dat is een gemene joekel van een vraag. Als ik 'ja' zeg, dan ontgoochel ik de meeste kinderen. En het klinkt ook zo pocherig. Als ik 'nee' zeg, dan zal ik moeten antwoorden op een volgende lastige vraag, namelijk: 'Hoe kun je dan schrijven echt leren?'. Dus neem ik maatregelen. Ik ben immers op alles voorbereid. Ik zeg, voorwaar: 'Oei, oei, meester, daar valt verdraaid moeilijk op te antwoorden. Je hebt mensen die schilderen. Dansen. Schaken. Beeldhouwen. Kunstschaatsen. Waarom doen ze nou precies dat? En zo goed? Het zal wel een ietsepietsie talent wezen, zeker? En heel veel afzien ook. Hard werken. Schrappen. Overdoen. Alsmaar overdoen'. De meester knikt verheugd. Ik zie hem denken: 'Overmorgen schaats ik met mijn knalrode balpen als een razende gek door alle opstellen heen'. Nee, ik beeld me maar wat in. Meester Prikkebeen koestert geen snode plannen in verband met 'tekenende' woorden. Deze meester is van goede wil. Waarom zou hij me anders hebben uitgenodigd? Het vragenhalfuurtje is bijna ten einde.

'Waarover gaat jouw volgende boek?' vraagt een bedeesd meisje met kruidnagelbruine krullen nog. Die wippen als jojootjes op en neer als ze haar hoofd beweegt. Echt een kind om in een Vlaams Filmpje mee te laten spelen. 'Ja,' zeg ik, 'slimme vraag om te besluiten. Mijn volgende boek, eh, boeken, gaan over verlegenheid, kinderen baas over de grote mensen en een jongerenkrant. Ze zullen heten: Rode Blossen, Kind toch! en Krantenpraat. Verlegenheid, ken je wel hé: vlug rood worden en zo, het een ramp vinden om naar voren in de klas te moeten komen… Het meisje knikt begrijpend. Haar hoofd krijgt de kleur van een biet. 'Ik was vroeger ook zo,' voeg ik eraan toe. Ik stierf zowat van de schrik als ik ook maar iets moest zeggen of doen in de klas'.

'ZO,' klinkt het plotseling achteraan. De meester veert op. 'Frederik?' Vijf seconden lang heerst suspens. Iedereen kijkt vol verwachting naar de eerste rij. Dan staat een grappige jongen uit de eerste bank op. De hele tijd heeft hij niks gevraagd. Hij zat vlak voor mij. Misschien heeft hij voortdurend zijn toespraakje zitten repeteren. Hij strijkt een papiertje glad en keert zich naar de klas. 'Beste Joris Denoo', zegt hij dan. '6B vond het bijzonder fijn met u en uw werk kennis te maken. We zullen uw boeken alleszins lezen, als er nog nieuwe verschijnen. Het was leerrijk en boeiend. We wensen u nog veel succes. En omdat u zoveel van potloden houdt, en er zo graag mee schrijft, hebben wij nog een cadeau voor u. Dank u dat u gekomen bent'. 'Dank u wel, dank u wel,' zeg ik, knik ik, door het applausje heen. Een meisje komt me een schitterende bundel potloden cadeau doen: gestroomlijnd, lang, glanzend, ongeslepen. De potloden, bedoel ik. Tien seconden later begint dan de belegering van mijn tafels.

Een tevreden jeugdboekenschrijver maalt de kilometers huiswaarts af. Het was weer feest in letterland. De inhoud van de drie koffertjes is onherstelbaar dooreen gehutseld. Geen probleem. Voor de volgende voordracht, morgen, vinden we daar wel wat op. Desnoods begin ik van achteren aan mijn spreekbeurt. Wat ik achter de rug heb, is fijn. Anderhalf uur leefden we in een wereld van fictie, maar toch heb ik ze aangetoond dat een schrijver ook van vlees en bloed is. Hij kan morsen, net als iedereen. Iedereen deed mee. Het vreemde is: die wereld is door mij uitgevonden. Een aantal kinderen is bereid erin te geloven en er een tijdlang in te vertoeven. Ik weet dat ik binnenkort weer enkele briefjes in de bus mag verwachten. Enkele weken lang ook zal ik een meer uitgeleende schrijver dan Guido Gezelle zijn in een bepaalde stedelijke bieb.

Zo, voortbollend op de cadans van de wegnaden, met Vlaamse regen die over de voorruit biggelt, zweer ik dat ik steeds betere boeken zal schrijven. Omdat kinderen alleen maar goede dingen verdienen. Het zal me misschien nog vele potloden kosten. De vreemde berichten die ik uit kranten knip, die zullen het niet maken. Het moet helemaal uit mezelf komen. Ik moet het ook wel willen. Want als ik niks te melden heb, doe ik er beter het zwijgen toe. Als ik al vijftig kilometer verder ben, zie ik nog steeds 6B van daarstraks voor me zitten. Ze waren heel aandachtig. Mijn koffertjes, Belgische kleuren, kregen veel aandacht. Ik mompel wat voor mij uit in de auto. Ik herkauw vele vragen en antwoorden, om te proeven of ik echt wel mijn best heb gedaan. Wat staat me morgen te wachten? Ik ben op alles voorbereid. Ze mogen me de gekste dingen vragen.

Dat gebeurt dan ook, een dag later, op een heel andere plaats in dit regenland. Ik heb amper mijn koffertjes uitgepakt, of een vrolijke reus van een zesdeklasser vraagt gnuivend: 'Is dat een pruik?' Geproest alom. De bibliothecaris bedaart de gemoederen. 'Als ik mijn haren knip,' zeg ik, en ik trek stevig aan mijn haardos, 'dan ben ik mijn kracht kwijt. Dan krijg ik veel vlugger schrijfkramp'. En ik steek weer van wal, anderhalf uur lang.

JORIS DENOO (schrijver voor kinderen, jongeren, ex-kinderen & ex-jongeren)

----------------------------------------------------------------------------------------------------------------