BAD PRITT

BAD PRITT                                                                                           Joris Denoo


We zitten als terrasmussen op het plankier van café De Woede der Noormannen, in een lage streek ergens tussen Adinkerke en Outrijve. Het regent mot. Het waait niet. Jammer. Ik hou van wind. Het is een man met oud haar op zijn hoofd die daarnet verkondigde: ‘Het is te doen buiten’. ‘Liefde,’ zegt hij nu, ‘liefde is een kleverig gedoe.’ Ik kan niet nee zeggen en knik dus ietwat langs hem heen in de richting van een foeilelijke gatenplant. Zijn haar verraadt vele liefdesavonturen of helemaal geen. Serieliefhebber of kluizenaar. Misschien zelfs vader van 2,8 kleverige kinderen die hem ietwat hinderen. ‘Vrouwen willen zekerheid,’ zeg ik totaal overbodig, wat een mooie spreekwolk, maar met een rouwrandje om. ‘Ze zijn verkleefd aan die ene, liefst bestendige donor die ze kiezen uit velen.’ Hij knikt en kijkt naar niets naast mij: ‘Doe jij iets met je haar misschien?’ ‘Ik, nee,’ zeg ik. ‘Ik heb er de tijd niet voor, vooral ’s ochtends niet, en de tijd staat niet stil, nietwaar. Iets doen met mijn haar interesseert mij niet.’ ‘Nee,’ beaamt hij opgelucht. ‘Nee, hij staat niet stil. Of zijn wij het die veranderen?’ ‘Je zult bedoelen: verouderen.’ ‘Hm,’ kucht hij. Hij inhaleert de rook van zijn sigaret tot in de toppen van zijn tenen. Ik wacht benieuwd tot die rook ergens weer uitkomt, ik check zijn voedselklep, zijn achteruitgang, zijn pief, zijn zeiloren, maar nee hoor: meneer houdt alles voor zichzelf. Er komt geen cowboyachtig marlborowolkje uit zijn achterwerk of zijn linkeroor. ‘Vrouwen plakken aan je,’ zegt hij dan, iets concreter dan daarstraks, of juist nog veel abstracter. ‘Voor je het beseft, ben je geringd als een duif, opgespeld als een dode vlinder en vastgelijmd in een familiealbum.’ ‘Tja,’ doe ik. Ik kijk van buiten naar binnen door een raam heen naar een foeilelijk kunstwerk aan de muur van drenkplaats De Woede der Noormannen. Een vrouw, natuurlijk. Nou: de vrouw is mooi, maar het werk is kunst, dus lelijk. ‘Zo,’ zegt de man met het oude haar op zijn hoofd dan. ‘Een levensverzekering heb je dus waarschijnlijk al.’ ‘Ja, al jaren.’ Godverdomme. ’t Is van dat. Een handelaar in gratis geld. ‘En kan ik je echt geen beter voorstel doen?’ ‘Nee, mijn leven is goed verzekerd. Voor wat het waard is, althans: morgen kan ik over een kikker struikelen en doodvallen.’ ‘Het is anders tegen morgen al in orde: geen gedoe met papieren en zo. We werken honderd procent klantvriendelijk voor de categorie pre-senioren zoals u. Op uw leeftijd … ‘ ‘Nee,’ schud ik beslist. Mijn haar waar ik niets mee doe schudt mee. ‘Jullie verzekeringen zijn anders ook wel een kleverig gedoe, hé. De enige verzekering die ik op mijn bijna gezegende leeftijd nog overweeg, is een verzekering tegen verzekeringen.’ ‘Daar heb je dan boekbinderslijm voor nodig, of zeer straffe colle-tout’, zegt de man, zijn peuk weg katapulterend, en hij verdwijnt ontgoocheld uit het horecapand De Woede der Noormannen en uit mijn leven, zonder verzekering. Bad Pritt, die kleverige verzekeraars!